In mijn eerste blog zei ik dat het idee voor GroenBrein een tijdje geleden is ontstaan vanuit een verwondering die ik zelf vaak ervaar, namelijk: ”wáárom zijn we in staat andere levende wezens soms op zo’n pijnlijke en afstandelijke manier te behandelen?”. Deze vraag kun je toepassen op mensen, maar eerlijk gezegd gaat deze vraag voor mij vooral ook over andere dieren.

Vandaag wil ik daar graag vanuit een psychologisch perspectief op ingaan.

Er is een bepaalde spanning die vaak onopgemerkt blijft, maar die eigenlijk overal om ons heen aanwezig is. Of tenminste: ik voel die spanning, en ik denk andere mensen ook wel.

Als je mensen vraagt wat ze van andere dieren — ik zeg andere, want wij mensen zijn ten slotte ook dieren — vinden, zullen de meesten zonder aarzelen zeggen dat ze van dieren houden. Dat ze dieren belangrijk vinden, dat dieren goed behandeld moeten worden, dat dieren gevoel hebben. Voor veel mensen is dat niet iets waar ze lang over na moeten denken, maar iets wat vanzelfsprekend voelt.

En toch bestaat er tegelijkertijd een andere realiteit, waarin dieren dagelijks worden gebruikt, gegeten en op afstand gehouden — vaak zonder dat we daar echt bij stilstaan.

Die twee dingen lijken volledig naast elkaar te bestaan, zonder elkaar te raken. Sterker nog, veel mensen denken oprecht dat ze van dieren houden, terwijl ze betalen voor dierenleed.

Binnen de psychologie kan dit fenomeen beschreven worden als de intention-behavior gap: het verschil tussen wat we belangrijk vinden en hoe we ons daadwerkelijk gedragen. Het is iets wat je op veel vlakken ziet. Mensen willen duurzamer leven, maar vliegen toch. Willen minder op hun telefoon zitten, maar blijven scrollen. Willen meer rust, maar vullen hun dagen met prikkels.

Maar wanneer het gaat over dieren, krijgt deze kloof een extra laag. Omdat het niet gaat over gedrag en gewoontes die alleen invloed hebben op jezelf, maar ook over empathie, moraal en hoe we ons verhouden tot andere levende wezens.

Wat er vaak gebeurt wanneer onze waarden en ons gedrag niet volledig op elkaar aansluiten, is dat er een vorm van innerlijke spanning ontstaat. In de psychologie noemen we dit cognitieve dissonantie. Het is geen scherpe, duidelijke spanning, maar eerder iets subtiels — een licht ongemak dat we niet altijd bewust ervaren, maar dat wel invloed heeft op hoe we denken en handelen.

Wanneer iemand zich bijvoorbeeld verbonden voelt met dieren, maar tegelijkertijd dierlijke producten consumeert, ontstaat er een soort mismatch. Niet per se als een bewuste gedachte, maar als iets wat op de achtergrond aanwezig is.

Ons brein is van nature geneigd om die spanning te verminderen. Niet per se door ons gedrag direct te veranderen, maar vaak door onze gedachten een beetje aan te passen. Door dingen net anders te framen, te verzachten of te rationaliseren.

Dat kan zich uiten in gedachten als: ‘het valt allemaal wel mee hoe we andere dieren behandelen‘, ‘het is nu eenmaal normaal‘, ‘het is altijd zo geweest‘, of ‘individuele keuzes maken weinig verschil‘. Het zijn geen domme of oppervlakkige gedachten, maar manieren waarop ons brein probeert om consistentie te creëren en ongemak te vermijden.

Naast deze interne processen speelt ook onze omgeving een grote rol. De manier waarop we in de moderne wereld met dieren omgaan, wordt gekenmerkt door afstand. De meeste mensen komen zelden in direct contact met de dieren die ze eten. Deze dieren worden niet gezien als individuen met een eigen leven, maar als producten, verpakt en benoemd in termen die losstaan van het dier zelf.

Die afstand is niet toevallig, die is heel slim gecreëerd. Het maakt het eenvoudiger voor mensen om bepaalde keuzes te maken zonder dat ze emotioneel zwaar worden. Wanneer iets verder van ons af staat — fysiek, maar ook mentaal — wordt het makkelijker om er niet volledig bij stil te staan.

Daarbij komt dat veel van ons leven zich afspeelt in omgevingen die relatief ver verwijderd zijn van de natuurlijke wereld. We leven in steden, binnenruimtes, gestructureerde systemen waarin natuurlijke processen grotendeels onzichtbaar zijn geworden. Andere dieren maken daar vaak geen deel meer van uit als voelbare, aanwezige wezens, maar eerder als abstracte categorieën.

Deze vervreemding van de natuurlijke wereld heeft niet alleen invloed op hoe we ons voelen, maar ook op hoe we ons verhouden tot andere levende wezens. Als iets niet meer dichtbij voelt, wordt het moeilijker om er spontaan empathie voor te ervaren. Niet omdat die empathie er niet is, maar omdat het minder vaak wordt aangesproken.

Met dat in ons achterhoofd, wordt het misschien minder zinvol om dit soort tegenstrijdigheden te zien als hypocrisie. Het zegt niet per se dat mensen niet geven om dieren, maar eerder dat ze functioneren binnen een systeem waarin bepaalde gedragingen genormaliseerd zijn, terwijl hun onderliggende waarden daar niet altijd volledig mee in lijn liggen.

Wat hier interessant aan is, is dat verandering zelden ontstaat door alleen meer kennis of informatie. Veel mensen weten op een bepaald niveau al hoe dingen werken. Wat vaak ontbreekt, is niet bewustzijn, maar ruimte. Om stil te staan, om te voelen wat er eigenlijk speelt, en om nieuwe keuzes te verkennen zonder directe druk of oordeel.

Gedrag verandert meestal niet in één keer. Het verschuift geleidelijk, vaak in kleine stappen, en in interactie met de omgeving. Wanneer die omgeving verandert — wanneer er meer openheid ontstaat, meer verbinding, meer zichtbaarheid — kan gedrag daarin mee bewegen.

Daarom vind ik het veel interessanter om niet alleen te kijken naar wat mensen doen, maar naar de context waarin dat gebeurt. Naar de afstand die is ontstaan tussen ons en de natuur, en hoe die afstand invloed heeft op wat we wel en niet voelen, zien en erkennen. En misschien ook naar de vraag wat er gebeurt wanneer die afstand weer iets kleiner wordt.

Wat verandert er wanneer we andere dieren weer meer gaan zien als levende wezens, in plaats van als producten? En wat gebeurt er wanneer we onszelf toestaan om die verbinding weer iets meer toe te laten?

Het zijn geen vragen met directe, simpele antwoorden. Maar ze openen wel een andere manier van kijken: eentje die minder gericht is op oordeel, en meer op begrijpen. En ik geloof dat dat precies is waar verandering begint.

Heb ik je met dit artikel aan het denken gezet? Ik ga heel graag het gesprek met je aan! Laat vooral even een reactie achter 🙂

Geef een reactie

Ontdek meer van groenbrein

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder